Expertises Sectors

Wat is omgevings­handhaving?

Het nazicht op de naleving van de regelgeving, en het doen naleven van de regelgeving wordt ‘handhaving’ genoemd. 

Administratief recht bevat alle rechten en plichten van de burger in relatie tot de overheid. Voorbeelden hiervan zijn onder meer het omgevingsrecht, milieurecht, stedenbouw en ruimtelijke ordening, onroerend erfgoed…

De laatste jaren is er in het milieu- en stedenbouwrecht, ook gekend als omgevingsrecht, een sterke evolutie merkbaar richting bestuurlijke handhaving waar in het verleden meer sprake was van een strafrechtelijke handhaving. De bestuurlijke handhaving biedt de mogelijkheid aan het bestuur om bijvoorbeeld zelf een boete of herstelmaatregel op te leggen, terwijl bij de strafrechtelijke handhaving nog de tussenkomst van een rechtbank noodzakelijk is.

De kans dat u als bedrijf, of burger, op heden in contact komt met handhaving is bijgevolg groter dan vroeger.

Vanaf 1 april 2026 treedt het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving in werking. Dit decreet creëert één uniform handhavingskader voor verschillende Vlaamse regelgeving, waaronder milieu (DABM) en ruimtelijke ordening (VCRO).

Daarbij worden o.a. de procedures rond toezicht, opsporing, bestuurlijke sancties, herstelmaatregelen en beveiligingsmaatregelen geharmoniseerd. Het Implementatiedecreet van 26 april 2024 bepaalt dat deze uniforme regels gelden vanaf 1 april 2026, door de instap van deze sectorale decreten in het algemeen kader.

Ons kantoor volgt deze hervormingen nauwgezet op en staat u hierin bij. Doorheen de jaren hebben wij een uitgebreide expertise opgebouwd in de specifieke niche van de omgevingshandhaving. Een team ervaren advocaten binnen onze vakgroep Bestuurs- en Omgevingsrecht kunnen u bijstaan in deze boeiende, doch complexe materie. Dit kernteam wordt in functie van specifieke vragen of topics verder uitgebreid met expertise uit andere vakgroepen.


Aanspreekpunt: Jo Van Lommel.

Voor meer info of bijstand kan u ons contacteren:

handhaving@gsj.be +32 (0)3 201 14 32

GSJ nieuws

Vul hieronder uw gegevens in om via e-mail op de hoogte te blijven van het laatste GSJ nieuws omtrent Bestuurs- en Omgevingsrecht.

Aanmelden

VRAGEN EN ANTWOORDEN

    • Oprichten van een woning of bijgebouw zonder voorafgaande omgevingsvergunning, of in strijd met de bekomen vergunning;
    • Aanleggen van een zwembad zonder voorafgaande omgevingsvergunning;
    • Wijzigen van vegetatie zonder voorafgaande omgevingsvergunning;
    • Exploiteren van een ingedeelde inrichting zonder voorafgaande omgevingsvergunning of melding, dan wel in strijd met de bekomen vergunning of melding;
    • Exploiteren van een ingedeelde inrichting in strijd met de bekomen omgevingsvergunning (bv. meer lozen dan toegestaan, openingsuren niet exploiteren, teveel geluid produceren, niet zorgvuldig exploiteren, …);
    • Grondwater oppompen zonder voorafgaande melding of omgevingsvergunning;
    • Afval transporteren, of exporteren, zonder de noodzakelijke documenten;
    • Handelingen doorvoeren aan of in een beschermd monument zonder voorafgaande toelating of omgevingsvergunning;

  • Vanaf 1 april 2026 treedt in Vlaanderen een grondige hervorming van de omgevingshandhaving in werking.

    Deze hervorming betekent dat de handhaving van ruimtelijke ordening, milieu, erfgoed, logies en handelsvestigingen — sectoren die vandaag elk met hun eigen regels en instrumenten werken — vanaf 2026 in grote mate dezelfde procedurele spelregels zullen volgen. Zo worden toezicht, opsporing, herstel, beveiliging en bestuurlijke sanctionering voortaan op dezelfde manier geregeld. De harmonisering moet ertoe leiden dat handhavingsinstanties efficiënter kunnen samenwerken.

    We geven hieronder enkele vernieuwingen kort weer:

    De verjaring van herstelvorderingen voor stedenbouwkundige misdrijven hing voorheen af van het bestemmingsgebied waarin het misdrijf werd gepleegd en bedroeg 5 of 10 jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is voltooid. Vanaf april 2026 zal de overheid nog 5 jaar hebben om herstel te vorderen, te rekenen vanaf het moment dat zij weet heeft van de schade én de vermoedelijke overtreder. Daarnaast geldt een absolute maximumtermijn van 20 jaar vanaf het moment waarop de feiten zijn gepleegd. Na die 20 jaar kan herstel niet meer worden gevorderd, ook niet als de overheid pas later kennis neemt van de schade. Belangrijk is dat rekening moet worden gehouden met het gegeven waarin de herstelvordering niet kan verjaren vóór de strafvordering waar sedert 28 april 2024 voor wanbedrijven een verjaringstermijn van 10 jaar geldt.

    Verder wordt een handhavingsverzoek ingevoerd. Dit geeft elke belanghebbende partij — bijvoorbeeld een buurman die hinder ondervindt — het recht om een formeel verzoek in te dienen om een herstel- of beveiligingsmaatregel te laten opleggen. De mogelijkheid tot het instellen van een verzoek tot handhaving bestond tot nu toe enkel voor milieumisdrijven, en wordt met deze hervorming ook geïntroduceerd voor stedenbouwkundige misdrijven.

    Ook het beboetingstraject wijzigt aanzienlijk. Het parket beschikt voortaan over drie maanden, verlengbaar tot hoogstens een jaar, om te beslissen of het strafrechtelijk vervolgt. Bij gebrek aan beslissing wordt het dossier geacht geseponeerd, maar anders dan vroeger kan de overheid dan nog steeds een bestuurlijke geldboete opleggen. Het administratieve spoor wordt daarmee sterker autonoom.

    Op het vlak van herstel wordt de klassieke minnelijke schikking volledig vervangen door de herstelschikking, een formele regeling die in een notariële akte wordt vastgelegd en die, afhankelijk van de materie, moet worden bekrachtigd door de Vlaamse Herstelraad of de bevoegde leidend ambtenaar. Deze schikking kan bestaan uit aanpassingswerken, volledig of gedeeltelijk herstel, of een financieel equivalent — dat volgens het nieuwe kader doorgaans hoger ligt dan vandaag.

    Tot slot worden ook de procedurele waarborgen grondig herwerkt. Het Omgevingshandhavingsbesluit bepaalt onder meer de bevoegdheden van toezichthouders, de regels voor technische controles, de beroepsprocedures tegen herstelbeslissingen en de werking van de Vlaamse Herstelraad.

  • Indien de gewestelijke entiteit na analyse van het dossier de mening is toegedaan dat er onmiskenbaar sprake is van een misdrijf of inbreuk, doch er geen zware aantasting is van het leefmilieu, kan deze een voorstel bestuurlijke transactie/voorstel betaling van een geldsom doen.

    Er is geen mogelijkheid voorzien tot verweer of tegenspraak. Indien men niet akkoord is met het gedane voorstel, zal in geval van niet tijdige betaling, automatisch de procedure houdende het opleggen van een bestuurlijke geldboete worden opgestart (zie verder). Deze procedure voorziet wel in de mogelijkheid tot tegenspraak.

    Indien de bestuurlijke transactie/voorgestelde geldsom binnen de voorziene termijn wordt betaald, eindigt daarmee het bestraffingstraject.

  • De procedure tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete [1] biedt de mogelijkheid om binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving van de opstart van de boeteprocedure een schriftelijke verweernota in te dienen, evenals om mondeling [2] te worden gehoord. 

    In het kader van dit bestuurlijk beboetingstraject beschikt de gewestelijke entiteit tevens over de mogelijkheid om een voordeelontneming op te leggen. Een voordeelontneming is een sanctie waarbij een overtreder verplicht wordt een al dan niet geschat geldbedrag te betalen ter waarde van het brutovermogensvoordeel dat uit de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf is verkregen [3].

    De gewestelijke entiteit zal op basis van de ontvangen verweernota, en eventuele bijkomende toelichting gegeven tijdens de hoorzitting, een gemotiveerde beslissing nemen waarin uitspraak wordt gedaan omtrent de toerekenbaarheid van het misdrijf of de inbreuk aan de overtreder, de hoogte van de geldboete, en desgevallend de voordeelontneming.


    [1] Exclusieve bestuurlijke geldboete in geval van een inbreuk bedraagt maximaal 400.000 EURO, en alternatieve bestuurlijke geldboete in geval van een misdrijf bedraagt maximaal 2.000.000 EURO.

    [2] Deze hoorzitting kan fysiek, dan wel digitaal doorgaan.

    [3] Art. 16.4.26 Decreet algemene bepalingen milieubeleid dd. 5 april 1995;

  • De boete bedraagt maximum 400.000 euro voor inbreuken en maximum 2.000.000 euro voor misdrijven. Omdat de boetevorken in de regelgeving ruim zijn, beschikt de gewestelijke beboetingsentiteit over een ruime beslissingsbevoegdheid. Voor vergelijkbare feiten wordt in principe een vergelijkbare bestuurlijke geldboete opgelegd. De beboetingsentiteit beschikt over een beslissingskader met beoordelingselementen die richtinggevend zijn voor het opleggen van een geldboete. De recentste versie van het beslissingskader dateert van 1 januari 2026.

    Het bestaan van een beslissingskader komt de rechtszekerheid ten goede en moet het risico op willekeur bij het opleggen van een geldboete doen verkleinen. Toch blijft een beoordeling “op maat van het dossier” nodig voor dossiers die uitzonderlijk zijn of die zeer specifieke elementen bevatten.

  • Het Handhavingscollege is, naast de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, één van de Vlaamse administratieve rechtscolleges. Het Handhavingscollege behandelt de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete inzake een misdrijf of inbreuk op grond van de stedenbouwreglementering, de milieureglementering, dan wel de erfgoedreglementering [1]. 

    De beroepstermijn bedraagt 30 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte werd gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit. De procedure wordt ingeleid middels een verzoekschrift tot vernietiging. Per verzoekende partij is een rolrecht van 100 EURO verschuldigd.

    Indien het Handhavingscollege het beroep gegrond bevindt kan deze overgaan tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het besluit waarna de gewestelijke entiteit een nieuwe beslissing kan nemen. Het College kan tevens ter vervanging van de vernietigde beslissing, reeds zelf een beslissing nemen omtrent het bedrag van de boete en de gebeurlijke voordeelontneming.

    De arresten van het College worden kenbaar gemaakt op de website van de Dienst van de Bestuursrechtcolleges : https://dbrc.be/rechtspraak .

    Tegen een arrest van het Handhavingscollege bestaat nog een finale mogelijkheid om een cassatievoorziening in te stellen bij de Raad van State. De beroepstermijn hiervoor bedraagt eveneens dertig dagen.



    [1] Art. 16.4.19, §2 Decreet algemene bepalingen milieubeleid dd. 5 april 1995;

  • Overtreders die hebben bijgedragen tot publieke schade door hun betrokkenheid bij het misdrijf, de inbreuk of de normschending, zijn hoofdelijk tot het herstel gehouden van deze publieke schade.

    De publieke schade wordt integraal hersteld, of in zoverre dit niet mogelijk is, bij financieel equivalent. 

    Feitelijk herstel gebeurt door een volledige of gedeeltelijke terugkeer naar de referentietoestand, aangepast aan de wettelijke verplichtingen die er rechtstreeks op van toepassing zijn, of minstens een toestand die daaraan kennelijk gelijkwaardig is in het licht van de beschermde belangen. De referentietoestand is de toestand zoals die bestond voordat de normschending, de inbreuk of het misdrijf is gepleegd.  Het feitelijk herstel moet echter realiseerbaar zijn, niet kennelijk onevenredig ten aanzien van de publieke verliezen, noch mag er kennelijk onevenredige schade aan de belangen van de overtreder of derden worden berokkend.

    Herstel bij financieel equivalent gebeurt door een bedrag te betalen dat gelijk is aan de monetaire waardering van de publieke schade die feitelijk onhersteld zal blijven. Hiervoor worden forfaitaire bedragen vastgesteld die weliswaar kunnen worden vermeerderd of verminderd indien dit noodzakelijk is om een kennelijke wanverhouding met de concrete publieke schade te voorkomen.

    De herstelinstantie kan na voorafgaand advies van de Vlaamse Herstelraad een herstelvordering instellen voor de correctionele of burgerlijke rechtbank. De rechter kan vervolgens publieke herstelmaatregelen opleggen aan overtreders met een herstelplicht.

    De herstelinstantie kan er ook voor opteren om aan overtreders met een herstelplicht rechtstreeks publieke herstelmaatregelen op te leggen. Dat gebeurt via een bestuurlijke herstelbeslissing in de vorm van bestuursdwang of een bestuurlijk herstelbevel.

    Bestuurlijke herstelmaatregelen opleggen is niet mogelijk als de herstelplicht van de overtreder is ontstaan vóór 1 maart 2018.

  • Vanaf 1 april 2026 kan iedere belanghebbende partij een beveiligd en formeel verzoek indienen bij de bevoegde instantie om een herstelmaatregel of beveiligingsmaatregel op te leggen.

    • Bij een stedenbouwkundig misdrijf wordt het verzoek gericht aan de burgemeester of de gemeentelijke stedenbouwkundig inspecteur, tenzij het dossier onder gewestelijke prioriteit valt.
    • Bij een milieumisdrijf wordt het verzoek gericht aan de burgemeester  of de daartoe aangeduide personeelsleden van de gemeente of intergemeentelijk samenwerkingsverband, dan wel het departement of agentschap.

    De bevoegde herstelinstantie moet binnen zestig dagen beslissen over het al dan niet opleggen van een maatregel. 

  • Vanaf 1 april 2026 wordt de minnelijke schikking vervangen door de herstelschikking, die geldt voor zowel stedenbouwkundige als milieuschade.

    De herstelschikking is een schriftelijke overeenkomst tussen de herstelinstantie en de overtreder, vastgelegd in een notariële akte, waarin wordt bepaald op welke wijze de schade zal worden hersteld. Het kan gaan om volledig of gedeeltelijk herstel naar de oorspronkelijke toestand, aanpassingswerken of — wanneer fysiek herstel niet mogelijk is — een financieel equivalent. Deze financiële tegenwaarde wordt berekend volgens regels die in het Omgevingshandhavingsbesluit zijn vastgelegd.

    In veel gevallen moet de schikking worden bekrachtigd door de Vlaamse Herstelraad, die nagaat of de voorgestelde maatregel juridisch en beleidsmatig verantwoord is. Voor schikkingen met een waarde boven €500.000 is de bekrachtiging van de minister vereist.

  • Voor de correctionele rechtbank zal door de Procureur des Konings een geldboete en/of gevangenisstraf worden gevorderd.  De omvang van de gevorderde strafrechtelijke geldboetes varieert naar gelang het type misdrijf.  Voor stedenbouwkundige misdrijven bedraagt het minimumbedrag voor professionelen 2000EURO en het maximumbedrag 400.000 EURO te vermenigvuldigen met de opdeciemen [1].  Voor milieumisdrijven kan dit oplopen tot 500.000 EURO te vermenigvuldigen met de opdeciemen. 

    In het kader van een correctionele procedure kan tevens worden overgaan tot het verbeurdverklaren van de vermogensvoordelen die voortvloeien uit het geviseerde misdrijf (bijvoorbeeld het terugvorderen van de inkomsten die werden bekomen door de verhuur van illegale wooneenheden, of het uitbaten van een niet vergunde ingedeelde inrichting, …).

    De correctionele procedure wordt opgestart middels dagvaarding.  Naargelang het type misdrijf kan de overheid eveneens tussenkomen ten einde herstel te vorderen.  Zo kan de burgemeester of stedenbouwkundig inspecteur in geval van stedenbouwkundige misdrijven een herstelmaatregel formuleren, bijvoorbeeld het herstel in de oorspronkelijke toestand.    Ook bestaat de mogelijkheid voor een benadeelde partij (bijvoorbeeld buurman) om tussen te komen ten einde een vergoeding te vorderen voor de schade die werd geleden ten gevolge van een milieu- of stedenbouwkundig misdrijf (bijvoorbeeld vergoeding voor de hinder ten gevolge van het niet exploiteren volgens de openingsuren, of het exploiteren zonder vergunning, …).

    De correctionele rechtbank zal na het schriftelijk standpunt van de verschillende partijen te hebben ontvangen en na het aanhoren van de pleidooien overgaan tot het in beraadnemen van het dossier.  In principe volgt er een uitspraak (vonnis genaamd) één maand na de behandeling van het dossier. In sommige gevallen kan de uitspraak langer op zich laten wachten.

    De betrokken partijen beschikken over de mogelijkheid om tegen het vonnis van de correctionele rechtbank beroep aan te tekenen bij het territoriaal bevoegde Hof van Beroep [2].  Hiervoor is tevens voorzien in een beroepstermijn van dertig dagen.  Het Hof van Beroep zal vervolgens het dossier zoals dit aanhangig werd gemaakt opnieuw beoordelen.  In principe volgt ook hier een uitspraak (arrest genaamd) één maand na de behandeling van het dossier. In sommige gevallen kan de uitspraak langer op zich laten wachten.



    [1] Op 1 december 2021 bedroeg deze factor 8. Dit impliceert dat een strafrechtelijke geldboete van 2.000 EURO na toepassing van de opdeciemen een reële boete van 16.000 EURO vertegenwoordigd.

    [2] België kent vijf gerechtelijke gebieden, mn. Antwerpen, Bergen, Brussel, Gent en Luik.

Omgevingshandhaving valt binnen de vakgroep