Expertises Sectors

Wat is omgevings­handhaving?

Het nazicht op de naleving van de regelgeving, en het doen naleven van de regelgeving wordt ‘handhaving’ genoemd. 

Administratief recht bevat alle rechten en plichten van de burger in relatie tot de overheid. Voorbeelden hiervan zijn onder meer het omgevingsrecht, milieurecht, stedenbouw en ruimtelijke ordening, … De laatste jaren is er in het milieu- en stedenbouwrecht, ook gekend als omgevingsrecht, een sterke evolutie merkbaar richting bestuurlijke handhaving waar in het verleden meer sprake was van een strafrechtelijke handhaving. De bestuurlijke handhaving biedt de mogelijkheid aan het bestuur zelf om bijvoorbeeld een boete of herstelmaatregel op te leggen, terwijl bij de strafrechtelijke handhaving nog de tussenkomst van een rechtbank noodzakelijk is.

Ook wordt er meer ingezet op een proactieve handhaving, waar vroeger voornamelijk klachtgericht werd opgetreden. Deze evolutie maakt dat de overheid op heden meer actief en gericht handhaaft en dit op verschillende niveaus (bv. op lokaal gemeentelijk niveau, dan wel bovenlokaal gewestelijk niveau).

De kans dat u als bedrijf, of burger, op heden in contact komt met handhaving is bijgevolg groter dan vroeger.

Doorheen de jaren heeft ons kantoor een grote expertise opgebouwd in de specifieke niche van de omgevingshandhaving. Een team ervaren advocaten uit de vakgroep Bestuurs- en Omgevingsrecht kunnen u bijstaan in deze boeiende, doch complexe materie. Dit kernteam wordt in functie van specifieke vragen of topics verder uitgebreid met expertise uit andere vakgroepen.

Aanspreekpunt: Jo Van Lommel.

Voor meer info of bijstand kan u ons contacteren:

handhaving@gsj.be +32 (0)3 201 14 32

VRAGEN EN ANTWOORDEN

    • Oprichten van een woning of bijgebouw zonder voorafgaande omgevingsvergunning, of in strijd met de bekomen vergunning;
    • Aanleggen van een zwembad zonder voorafgaande omgevingsvergunning;
    • Wijzigen van vegetatie zonder voorafgaande omgevingsvergunning;
    • Exploiteren van een ingedeelde inrichting zonder voorafgaande omgevingsvergunning of melding, dan wel in strijd met de bekomen vergunning of melding;
    • Exploiteren van een ingedeelde inrichting in strijd met de bekomen omgevingsvergunning (bv. meer lozen dan toegestaan, openingsuren niet exploiteren, teveel geluid produceren, niet zorgvuldig exploiteren, …);
    • Grondwater oppompen zonder voorafgaande melding of omgevingsvergunning;
    • Afval transporteren, of exporteren, zonder de noodzakelijke documenten;
    • Handelingen doorvoeren aan of in een beschermd monument zonder voorafgaande toelating of omgevingsvergunning;

  • Het stakingsbevel kan door de verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten en officieren van gerechtelijke politie worden opgelegd.  Het stakingsbevel is een preventieve maatregel en heeft tot doel om te voorkomen dat stedenbouwkundige misdrijven worden uitgevoerd of verdergezet.

    De staking zelf kan mondeling op het terrein gebeuren, doch moet sowieso schriftelijk in een proces verbaal of verslag van vaststelling worden opgenomen.  Deze vaststelling moet binnen de acht dagen worden overgemaakt aan de betrokken partijen.

    De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur dient – op straffe van verval - binnen acht dagen na ontvangst van het stakingsbevel over te gaan tot bekrachtiging ervan.  Deze bekrachtiging dient vervolgens – niet op straffe van verval - binnen twee werkdagen te worden verzonden aan de betrokken partijen.

    Het verderzetten van werkzaamheden na de staking kan worden beschouwd als een doorbreking.  Een doorbreking kan worden opgevat als een afzonderlijk en nieuw misdrijf naar aanleiding waarvan een bijkomende geldboete zou kunnen worden opgelegd.

    De opheffing van het stakingsbevel kan worden gevorderd bij de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het ambtsgebied waarin de handelingen zijn uitgevoerd of het gebruik heeft plaatsgevonden.  Daarnaast kan worden bekeken of de regularisatie van de situatie mogelijk is, dan wel het vrijwillig herstel van de situatie.

  • Voor de correctionele rechtbank zal door de Procureur des Konings een geldboete en/of gevangenisstraf worden gevorderd.  De omvang van de gevorderde strafrechtelijke geldboetes varieert naar gelang het type misdrijf.  Voor stedenbouwkundige misdrijven bedraagt het minimumbedrag voor professionelen 2000EURO en het maximumbedrag 400.000 EURO te vermenigvuldigen met de opdeciemen [1].  Voor milieumisdrijven kan dit oplopen tot 500.000 EURO te vermenigvuldigen met de opdeciemen. 

    In het kader van een correctionele procedure kan tevens worden overgaan tot het verbeurdverklaren van de vermogensvoordelen die voortvloeien uit het geviseerde misdrijf (bijvoorbeeld het terugvorderen van de inkomsten die werden bekomen door de verhuur van illegale wooneenheden, of het uitbaten van een niet vergunde ingedeelde inrichting, …).

    De correctionele procedure wordt opgestart middels dagvaarding.  Naargelang het type misdrijf kan de overheid eveneens tussenkomen ten einde herstel te vorderen.  Zo kan de burgemeester of stedenbouwkundig inspecteur in geval van stedenbouwkundige misdrijven een herstelmaatregel formuleren, bijvoorbeeld het herstel in de oorspronkelijke toestand.    Ook bestaat de mogelijkheid voor een benadeelde partij (bijvoorbeeld buurman) om tussen te komen ten einde een vergoeding te vorderen voor de schade die werd geleden ten gevolge van een milieu- of stedenbouwkundig misdrijf (bijvoorbeeld vergoeding voor de hinder ten gevolge van het niet exploiteren volgens de openingsuren, of het exploiteren zonder vergunning, …).

    De correctionele rechtbank zal na het schriftelijk standpunt van de verschillende partijen te hebben ontvangen en na het aanhoren van de pleidooien overgaan tot het in beraadnemen van het dossier.  In principe volgt er een uitspraak (vonnis genaamd) één maand na de behandeling van het dossier. In sommige gevallen kan de uitspraak langer op zich laten wachten.

    De betrokken partijen beschikken over de mogelijkheid om tegen het vonnis van de correctionele rechtbank beroep aan te tekenen bij het territoriaal bevoegde Hof van Beroep [2].  Hiervoor is tevens voorzien in een beroepstermijn van dertig dagen.  Het Hof van Beroep zal vervolgens het dossier zoals dit aanhangig werd gemaakt opnieuw beoordelen.  In principe volgt ook hier een uitspraak (arrest genaamd) één maand na de behandeling van het dossier. In sommige gevallen kan de uitspraak langer op zich laten wachten.



    [1] Op 1 december 2021 bedroeg deze factor 8. Dit impliceert dat een strafrechtelijke geldboete van 2.000 EURO na toepassing van de opdeciemen een reële boete van 16.000 EURO vertegenwoordigd.

    [2] België kent vijf gerechtelijke gebieden, mn. Antwerpen, Bergen, Brussel, Gent en Luik.

  • Indien de gewestelijke entiteit na analyse van het dossier de mening is toegedaan dat er onmiskenbaar sprake is van een misdrijf of inbreuk, doch er geen zware aantasting is van het leefmilieu, kan deze een voorstel bestuurlijke transactie/voorstel betaling van een geldsom doen.

    Er is geen mogelijkheid voorzien tot verweer of tegenspraak. Indien men niet akkoord is met het gedane voorstel, zal in geval van niet tijdige betaling, automatisch de procedure houdende het opleggen van een bestuurlijke geldboete worden opgestart (zie verder). Deze procedure voorziet wel in de mogelijkheid tot tegenspraak.

    Indien de bestuurlijke transactie/voorgestelde geldsom binnen de voorziene termijn wordt betaald, eindigt daarmee het bestraffingstraject.

  • De procedure tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete [1] biedt de mogelijkheid om binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving van de opstart van de boeteprocedure een schriftelijke verweernota in te dienen, evenals om mondeling [2] te worden gehoord. 

    In het kader van dit bestuurlijk beboetingstraject beschikt de gewestelijke entiteit tevens over de mogelijkheid om een voordeelontneming op te leggen. Een voordeelontneming is een sanctie waarbij een overtreder verplicht wordt een al dan niet geschat geldbedrag te betalen ter waarde van het brutovermogensvoordeel dat uit de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf is verkregen [3].

    De gewestelijke entiteit zal op basis van de ontvangen verweernota, en eventuele bijkomende toelichting gegeven tijdens de hoorzitting, een gemotiveerde beslissing nemen waarin uitspraak wordt gedaan omtrent de toerekenbaarheid van het misdrijf of de inbreuk aan de overtreder, de hoogte van de geldboete, en desgevallend de voordeelontneming.


    [1] Exclusieve bestuurlijke geldboete in geval van een inbreuk bedraagt maximaal 400.000 EURO, en alternatieve bestuurlijke geldboete in geval van een misdrijf bedraagt maximaal 2.000.000 EURO.

    [2] Deze hoorzitting kan fysiek, dan wel digitaal doorgaan.

    [3] Art. 16.4.26 Decreet algemene bepalingen milieubeleid dd. 5 april 1995;

  • Het Handhavingscollege is, naast de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, één van de Vlaamse administratieve rechtscolleges. Het Handhavingscollege behandelt de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete inzake een misdrijf of inbreuk op grond van de stedenbouwreglementering, de milieureglementering, dan wel de erfgoedreglementering [1]. 

    De beroepstermijn bedraagt 30 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte werd gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit. De procedure wordt ingeleid middels een verzoekschrift tot vernietiging. Per verzoekende partij is een rolrecht van 100 EURO verschuldigd.

    Indien het Handhavingscollege het beroep gegrond bevindt kan deze overgaan tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het besluit waarna de gewestelijke entiteit een nieuwe beslissing kan nemen. Het College kan tevens ter vervanging van de vernietigde beslissing, reeds zelf een beslissing nemen omtrent het bedrag van de boete en de gebeurlijke voordeelontneming.

    De arresten van het College worden kenbaar gemaakt op de website van de Dienst van de Bestuursrechtcolleges : https://dbrc.be/rechtspraak .

    Tegen een arrest van het Handhavingscollege bestaat nog een finale mogelijkheid om een cassatievoorziening in te stellen bij de Raad van State. De beroepstermijn hiervoor bedraagt eveneens dertig dagen.



    [1] Art. 16.4.19, §2 Decreet algemene bepalingen milieubeleid dd. 5 april 1995;

  • De stedenbouwkundig inspecteur of burgemeester kan een minnelijke schikking aangaan met de overtreders of andere belanghebbenden.  De minnelijke schikking betreft als het ware een overeenkomst tussen de zonet aangehaalde partijen waarbij men een wijze van herstel minnelijk vastlegt.  Hierbij dienen welbepaalde regels in acht te worden genomen waaronder de decretale rangorde van de te vorderen herstelmaatregel zoals verankerd in art. 6.3.1 VCRO.

    Indien blijkt dat een minnelijke regeling niet mogelijk is, kan worden getracht om via bestuurlijke bemiddeling alsnog tot een akkoord te komen.

  • In stedenbouwdossiers beschikt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester over de mogelijkheid om volgende herstelmaatregelen te vorderen :

    • Het betalen van een meerwaarde;
    • Het uitvoeren van aanpassingswerken;
    • Het herstel in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdig gebruik;

    De wijze van herstel wordt verder bepaald in art. 6.3.1 VCRO en is o.m. afhankelijk van de impact van het misdrijf op de goede ruimtelijke ordening.

    Het herstel in stedenbouwkundige dossiers wordt op dit ogenblik nog voornamelijk via de rechtbank gevorderd.

    Sedert 1 maart 2018 is echter in de regelgeving de mogelijkheid voorzien om in welbepaalde gevallen via een bestuurlijke maatregel op te treden [1].  De bestuurlijke maatregel die aan overtreders wordt opgelegd, wordt in de stedenbouwreglementering ook bestuursdwang genaamd.  Indien men aan de maatregel tevens een dwangsom koppelt, wordt dit last onder dwangsom genaamd.

    Tegen de beslissing tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde.  De beroepsprocedure voorziet in de mogelijkheid om te worden gehoord. Een beslissing dient te volgen binnen een vervaltermijn van 90 dagen na de betekening van het beroepschrift. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag aan de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken. De termijn van negentig dagen kan eenmalig worden verlengd tot 180 dagen.

    Tegen de beslissing van de Minister kan finaal een vernietings- of schorsingsprocedure worden ingeleid bij de Raad van State.



    [1] Art. 6.4.7 e.v. VCRO;

  • In milieudossiers beschikt de bevoegde toezichthouder, de burgemeester of gouverneur over de mogelijkheid om een bestuurlijke maatregel op te leggen met volgende inhoud:

    • stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten;
    • het verbod op het gebruik van of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt;
    • de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting;

    De bestuurlijke maatregel kan tevens gepaard gaan met het opleggen van een bestuurlijke dwangsom. De dwangsom is een bijkomend drukkingsmiddel om de overtreder er toe te bewegen om de opgelegde maatregel correct en tijdig uit te voeren.

    De vraag tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen kan tevens worden gesteld door natuurlijke of rechtspersonen die nadeel lijden als gevolg van een milieumisdrijf of –inbreuk, of belang hebben bij de beteugeling ervan.

Omgevingshandhaving valt binnen de vakgroep