Expertises Sectoren
07.09.2021

Quid met het bevel tot betalen van art. 65/1 Wegverkeerswet?

Verkeershandhavingsinitiatieven bij de vleet.                      

Het terugdringen van het aantal verkeersslachtoffers blijft problematisch. Niet in het minst in Vlaanderen.  Gelukkig zijn er tal van initiatieven om er wat aan te doen. Op Vlaams niveau werd beslist om de gemeenten de bevoegdheid te verlenen om GAS-boetes op te leggen voor beperkte snelheidsovertredingen op hun grondgebied. De inkt van het Verzameldecreet van de Vlaamse overheid van 9 oktober 2020 was nog niet droog of onze federale minister van Justitie kondigde met grote trom de lancering van een ‘superprocureur’ aan. Deze superprocureur dient op nationaal niveau een centraal parket voor verkeersveiligheid aan te sturen, dit naast de veertien bestaande lokale parketten en het federale parket (https://www.om-mp.be/nl/communiques/justitie-zet-op-een-centraal-parket-voor-verkeersveiligheid). Nog recenter werd dan weer aangekondigd dat alle verkeerszondaars, dus zowel diegenen die er met een minnelijke schikking van afkomen als deze die van de rechter een boete opgelegd krijgen, voortaan ook dienen in te staan voor de administratiekosten.

Ook effectief?

Dat onze diverse wetgevers ter zake stil zitten kan dan ook niet gezegd worden. Vraag is wél of hun inspanningen altijd even effectief zijn. Dit geldt des te meer wanneer we even stilstaan bij de implementatie in de praktijk van vroegere wetgevende initiatieven. Geruime tijd geleden, meer bepaald bij wet van 25 december 2016, werd het ‘bevel tot betalen’ gelanceerd. Slechts het afgelopen jaar (elders gebeurlijk de jongste jaren) mocht de praktijk kennis maken met de eerste ‘bevelen tot betalen’.

Het bevel tot betalen: het principe.

Met het ‘bevel tot betalen’ verschafte de wetgever het openbaar ministerie de mogelijkheid om een ‘uitvoerbare titel’ te bewerkstelligen zonder dat de overtreder voor de politierechtbank diende gedagvaard te worden. De overtreder aan wie dergelijk bevel betekend wordt kan dan nog wel ‘beroep’ instellen bij de politierechtbank. Het initiatief om de rechtbank te adiëren wordt op die manier bij hem gelegd. Uiteraard rekende men er op dat vele verkeerszondaars dit niet zouden doen. Op die manier zou de handhaving heel wat vlotter – lees sneller, minder omslachtig en goedkoper – moeten verlopen.

Quid in de rechtspraktijk?

Het openbaar ministerie diende in Antwerpen echter met lede ogen te aanschouwen dat de implementatie van deze zogenaamd eenvoudige procedure in de praktijk toch niet zo’n sinecure is. Eens de eerste ‘bevelen tot betaling’ betekend, volgden de eerste beroepen. Tot zijn ontsteltenis diende het openbaar ministerie vast te stellen dat de politierechtbank in Antwerpen – later bevestigd in graad van beroep door de correctionele rechtbank van Antwerpen – besliste dat eens de betrokkene een ontvankelijk beroep had ingesteld, zij zich niet meer diende in te laten met ‘de grond van de zaak’. Het volstond m.a.w. om een ontvankelijk beroep in te stellen opdat de uitvoerbare titel verviel én de betrokkene vrijuit ging. De inderdaad toch wel erg slordige wijze van formuleren in het betrokken wetsartikel (ver)leidde de rechtbank tot deze op het eerste zicht vreemde conclusie.

Arrest van het Hof van Cassatie van 1 juni 2021.

Het hoeft niet te verwonderen dat het openbaar ministerie het daar niet bij liet. Het stelde een voorziening in cassatie in. Bij arrest van 1 juni 2021 van het Hof van Cassatie haalde het openbaar ministerie zijn gram. De Antwerpse rechtbanken werden teruggefloten. Eens het beroep ontvankelijk verklaard, dient de rechtbank zich wel degelijk in te laten met de grond van de zaak. Ondanks de gebeurlijk onduidelijke tekst van de wet was dit voor het Hof van Cassatie in het licht van de doelstelling van de wet en de wetgeschiedenis toch duidelijk. Het Hof van Cassatie greep de gelegenheid wél aan om de puntjes op de i te zetten, dit zowel met betrekking tot de strekking van de nieuwe procedure van art. 65/1 Wegverkeerswet als met betrekking tot de omvang van de saisine van de rechtbank waaraan de zaak in beroep wordt voorgelegd.

 Zo preciseert het Hof van Cassatie dat het bevel tot betalen geen straf is. Met het bevel tot betalen wordt louter een uitvoerbare titel gecreëerd. Deze vaststelling is niet louter academisch. Met het beroep tegen het bevel tot betalen wordt de strafvordering niet op gang getrokken. Middels het beroep wordt de politierechtbank (zeg niet strafrechter!) louter gevraagd een uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep én vervolgens over het al dan gerechtvaardigd zijn van de opgelegde uitvoerbare titel. Met het oog daarop dient te rechter enkel te checken of de wettelijke voorwaarden om een dergelijk bevel tot betalen op te leggen al dan niet vervuld zijn (zijn de feiten al dan niet gepleegd, is de opgelegde sanctie wettelijk?). In bevestigend geval blijft de uitvoerbare titel overeind, in ontkennend geval wordt hij vernietigd. Net omdat middels het beroep de strafvordering niet op gang getrokken wordt, komt het de politierechtbank niet toe om opnieuw te oordelen en bijvoorbeeld een echte straf, weze het een zwaardere dan wel een lichtere uit te spreken. Het lijkt er dan ook sterk op dat we hier staan voor een echte procedure ‘sui generis’. De politierechter zal deze zaken – anders dan wat hij of zij gewoon is – vanuit een erg beperkt oogpunt dienen te beoordelen. Bij de beoordeling van deze bevelen tot betaling is hij of zij ‘even’ geen strafrechter…

Gevolgen voor de rechtspraktijk.

In het licht van de beslissing van het Hof van Cassatie en de eraan ten grondslag liggende overwegingen rijst natuurlijk de vraag wat het lot zal zijn van de ‘bevelen tot betaling’ waartegen thans beroep wordt gedaan. Onze ervaring leert alvast dat er hic et nunc heel wat politierechters zijn die deze zaken toch als daadwerkelijke strafrechters behandelen. Anders dan wat het Hof van Cassatie ons leert, veroorloven zij zich bijgevolg wél de  vrijheid om naargelang de omstandigheden eigen aan de concrete zaak strenger dan wel integendeel milder te oordelen…. Gaan zij dit blijven doen?

 En wat doet het Grondwettelijk Hof?

Bovendien blijft het nog maar de vraag of onze andere hoogste rechterlijke instantie, meer bepaald het Grondwettelijk Hof, de zienswijze van het Hof van Cassatie deelt. In een gelijkaardige discussie, meer bepaald ten aanzien van de GAS-boetes, oordeelde het Grondwettelijk Hof bij arrest van 23 januari 2019 (arrest nr. 8/2019) reeds dat de politierechter in de beroepsprocedure wél de bevoegdheid heeft om de GAS-boete te verminderen, dit zelfs tot onder het vastgelegde minimum indien hij verzachtende omstandigheden aanneemt. In een volgend arrest van ditzelfde Grondwettelijk Hof, meer bepaald het arrest van 23 april 2020 (arrest nr. 56/2020) luidde het dan weer dat de politierechter ook de mogelijkheid moet krijgen om de volledige GAS-boete met uitstel op te leggen. Het zal de voorstanders van de ruimere saisine van de politierechter, ook wanneer hij of zij zich buigt over ‘het bevel tot betalen’, slechts sterken in hun overtuiging.  Het moge dan ook duidelijk zijn dat het laatste woord hierover nog niet gezegd is. Het is slechts wachten op de rechtzoekende met een principiële kijk op de dingen…

Besluit.

Aanknopend bij de inleiding valt het te hopen dat de wetgever, weze het de Vlaamse dan wel de federale, in zijn wetgevende dadendrang wel de nodige nauwkeurigheid aan de dag legt teneinde te vermijden dat zijn initiatieven niet verzanden in loutere goede bedoelingen. Overigens, terwijl we de laatste hand leggen aan dit artikel komt ons ter ore dat het net besproken arrest van het Hof van Cassatie aanleiding zou zijn tot een reparatiewet. Wordt bijgevolg vervolgd.

Gerelateerde nieuwsberichten