Expertises Sectoren

Delen

05.10.2026

Naar rechtszekere en robuuste vergunningen? Schrapping BGO’s, meer ruimte voor afwijking van verouderde plannen en decretale verankering van de exceptie van onwettigheid

Het voorontwerp ter uitvoering van het Actieprogramma voor rechtszekere en robuuste vergunningen wijzigt ook enkele belangrijke uitgangspunten van de ruimtelijke vergunningverlening. Zo verdwijnt het begrip “beleidsmatig gewenste ontwikkelingen” uit de VCRO, worden de mogelijkheden om af te wijken van verouderde planvoorschriften uitgebreid en krijgt de exceptie van onwettigheid een uitdrukkelijke decretale verankering.

De Vlaamse Regering keurde het voorontwerp op 17 juli 2026 een eerste keer principieel goed. De tekst bevindt zich nog in de adviesfase en kan dus nog worden aangepast.

Beleidsmatig gewenste ontwikkelingen verdwijnen uit de VCRO

Het begrip “beleidsmatig gewenste ontwikkelingen” (BGO’s) wordt geschrapt uit artikel 4.3.1, § 2 VCRO. Daarmee verdwijnt de uitdrukkelijke decretale mogelijkheid om bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening rekening te houden met dergelijke beleidsmatige ontwikkelingen. De schrapping staat naast de voorgestelde invoering van de maatschappelijke meerwaarde van een project als beoordelingscriterium.    

Ruimere afwijkingsmogelijkheden voor verouderde BPA’s en RUP’s

Daarnaast wordt de bestaande vereenvoudigde procedure van artikel 7.4.4/1 VCRO vervangen door een nieuwe regeling in artikel 2.2.26 VCRO. Die procedure zal niet alleen kunnen worden toegepast op BPA’s, maar ook op RUP’s en bepaalde andere plannen. Via deze procedure kunnen inrichtingsvoorschriften worden herzien of opgeheven. Ook voorschriften over toegelaten functies of activiteiten kunnen worden aangepast, maar alleen voor zover de nieuwe functie of activiteit binnen dezelfde categorie van gebiedsaanduiding valt.

Fundamentele bestemmingswijzigingen blijven uitgesloten. Zodra een wijziging raakt aan de basisbestemming of de categorie van gebiedsaanduiding, blijft een klassieke RUP-procedure vereist. De versoepeling geldt bovendien alleen voor zogenoemde harde bestemmingen, zoals wonen, bedrijvigheid, recreatie en openbaar nut. Openruimtebestemmingen vallen buiten het toepassingsgebied.

Exceptie van onwettigheid krijgt een decretale verankering

Het voorontwerp schrijft in de VCRO, het DABM en het decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid uitdrukkelijk in dat een vergunningverlenende overheid een reglementaire bepaling buiten toepassing kan laten wanneer een bestuursrechter of het Hof van Cassatie de onwettigheid ervan al heeft vastgesteld. De overheid hoeft dan niet te wachten tot de betrokken bepaling formeel is vernietigd, opgeheven of ingetrokken.

De vergunningverlenende overheid moet wel telkens onderzoeken of de eerder vastgestelde onwettigheid relevant is voor het concrete vergunningsdossier. Wanneer bijvoorbeeld alleen een specifiek voorschrift van een deelplan onwettig werd bevonden, heeft dat niet noodzakelijk gevolgen voor vergunningen in andere delen van hetzelfde plan.

Vereenvoudiging occasionele activiteiten

Ook voor bepaalde eenmalige sociaal-culturele en recreatieve activiteiten wordt de vergunningsprocedure vereenvoudigd. Voor die activiteiten en handelingen worden zowel het administratief beroep als het verzoek tot herziening uitgesloten. De decreetgever wil daarmee vermijden dat een automatisch schorsend beroep pas wordt afgehandeld nadat het tijdelijke evenement had moeten plaatsvinden. De uitzondering geldt slechts onder specifieke voorwaarden, waaronder de organisatie van een openbaar onderzoek en het ontbreken van een verplicht milieueffectrapport of een passende beoordeling. Juridisch rijst wel de vraag of deze beperking van de rechtsbescherming verenigbaar is met het standstillbeginsel.

De advocaten van onze vakgroep Bestuurs- en Omgevingsrecht volgen de verdere ontwikkelingen op de voet en zijn beschikbaar bij eventuele vragen of nadere toelichting.

Gerelateerde nieuwsberichten